Farmacologie deel 2: perifeer en autonoom zenuwstelsel
- Herhaling
- 2.1 MC Cholinerge transmissie
- 2.2 MC Adrenerge transmissie
- 2.3 MC Dopaminerge transmissie
- 2.4 MC Serotonerge transmissie
Herhaling
- long: astma / COPD
| Afkorting | Betekenis |
|---|---|
| β2-mimetica | Bronchodilatators - best bij astma |
| → FABA | Fast Acting β2 Agonist (~2 min) |
| → SABA | Short Acting β2 Agonist (60–90 min) |
| → LABA | Long Acting β2 Agonist (12–24 u) |
| Anticholinergica | Bronchodilatators - best bij COPD |
| → SAMA | Short-Acting Muscarinic Antagonist |
| → LAMA | Long-Acting Muscarinic Antagonist |
| Corticosteroïden | Anti-inflammatoire therapie |
| → ICS | Inhaled Corticosteroids |
| → OCS | Oral Corticosteroids |
- hart
- chronotroop: frequentie
- dromotroop: geleidingssnelheid
- bathmotroop: prikkelbaarheid myocard
- inotroop: contractiekracht
- bijnier
- productie van catecholamines
-
adrenaline(A) -
noradrenaline(NA)
-
- cf. orthosympathisch ganglion
- zelfde embryologische oorsprong
- preganglionaire input: ACh (nicotinerg)
- output: A en NA in bloed (i.p.v. enkel NA in axon)
- productie van catecholamines
- oogspieren
- accommodatie = lensvorm aanpassing om dichtbij te kunnen zien
- m. ciliaris
- miosis
- m. dilatator pupillae
- mydriasis
- m. constrictor pupillae
- accommodatie = lensvorm aanpassing om dichtbij te kunnen zien
- zenuwstelsel
- centraal
- perifeer
- afferent
- efferent
- motorisch
- neuro-musculaire junctie (NMJ)
- -motorneuronen
- -motorneuronen
- autonoom
- (enterisch)
- orthosympathisch ("fight or flight")
- ganglia goed beschermd
- medicatie heeft tijd nodig om in te werken
- exclusief ortho
- skeletspieren
- zweetklieren
- veel bloedvaten
- nier
- m. dilatator pupillae
- chromaffiene cellen bijniermerg ~= postganglionaire orthosympathische neuronen
- ganglia goed beschermd
- parasympathisch ("rest and digest")
- exclusief para
- m. constrictor pupillae
- m. ciliaris
- gastrointestinale klieren
- traanklieren
- bronchiale gladde spieren
- maar bezitten wel -receptoren
- exclusief para
- motorisch
| Kenmerk | Orthosympathisch ZS | Parasympathisch ZS |
|---|---|---|
| Outflow | Thoracolumbaal | Craniosacraal |
| Uittrede preganglionair neuron | T1–L2 | III, VII, IX, X en S2–S4 |
| Cellichamen | Thoracaal | Mesencephalon / medulla oblongata / sacraal |
| Preganglionair neuron | Kort | Lang |
| Postganglionair neuron | Lang | Kort |
| Ganglia | Paravertebraal | Dicht bij het effectororgaan |
| NT in autonoom ganglion | ACh | ACh |
| NT ter hoogte van neuro-effectorverbinding | Noradrenaline (NA) | ACh |


2.1 MC Cholinerge transmissie
2.1.1 Anatomie
- acetyl-choline (ACh) als neurotransmitter (NT)
- autonoom ZS
- para
- ganglia
- alle neuro-effector juncties
- ortho
- ganglia
- sommige neuro-effector juncties (e.g., zweetklieren)
- enterisch
- para
- motorisch
- NMJ
- autonoom ZS
| Locatie/receptor | Agonist | Antagonist |
|---|---|---|
| Neuromusculaire junctie (NMJ) | nicotine* | curare |
| Parasympathische neuro-effectorverbinding | muscarine* | atropine |
| Autonome ganglia | nicotine(*) | (ganglionblokkers) |
-
- effect van cholinesteraseremmer (en ook evt CZS)
2.1.2 Synthese, vrijzetting en afbraak van ACh

- CAT = choline acetyl transferase
- CoA = co-enzyme A
- AcCoA = acetyl-CoA
- cholinesterase (Che): ACh -> acetaat + choline
- botuline toxine (botox)
- inhibeert exocytose
- dus pre-synaptisch
- dus NT-specifiek: ACh
- dus niet receptor-specifiek
2.1.3 Receptoren
| Receptortype | Subtype | Lokalisatie |
|---|---|---|
| Muscarinereceptor | M1 — “neuraal” | • Ganglia van het enterisch zenuwstelsel • Centraal zenuwstelsel |
| Muscarinereceptor | M2 — “cardiaal” | • Hart: sinusknoop, atrium en AV-knoop • Presynaptische uiteinden van perifere en centrale neuronen |
| Muscarinereceptor | M3 — “klier/gladde spier” | • Exocriene klieren • Gladde spieren • Endotheelcellen • Pariëtale cellen van de maag |
| Nicotinereceptor | • Neuromusculaire junctie (NMJ) van skeletspieren | |
| Nicotinereceptor | • Centraal zenuwstelsel • Bijniermerg • Autonome ganglia |
2.1.4 Activatie
- effecten
- m. constrictor pupillae (M3): miosis
- m. ciliaris (M3): accommodatie
- traanklieren (M3)
- neusslijmvlies (M3)
- speekselklieren (M3)
- longen
- secretie +
- bronchoconstrictie (M3)
- hart (M2)
- sinusknoop: freq -
- atriale spier: negatief inotroop (minder contractiekracht)
- AV knoop: negatief dromotroop (tragere geleiding)
- GI (M3)
- secretie +
- motiliteit +
- sfinctertonus -
- blaas (M3)
- bevordert mictie
- contractie fundusspier
- relaxatie sfincter
- bevordert mictie
- genitaal: erectie
- sommige bloedvaten (huid/skeletspieren): lichte vasodilatatie (NO)
- CZS
- hangt af van doorgankelijkheid BBB voor farmacon
- autonome ganglia (M + N)
- wisselend effect ortho + para (door betere bescherming ortho)
- hoge dosis: depolarisatieblok
- NMJ
- kracht +
- fasciculaties (onderhuidse spiertrillingen)
- depolarisatieblok
- selectiviteit
- quaternair amine ()
- obligaat positief
- polair
- hydrofiel
- kan niet door membranen
- obligaat positief
- tertiair amine ()
- lading i.f.v. pH
- lagere pH ~ vaker geladen
- ongeladen vorm kan door membranen
- en soms ook door BBB
- lading i.f.v. pH
- quaternair amine ()
- manieren
- direct werkende cholinomimetica
- muscarine receptor agonisten
- zie tabel
- zelden gebruikt
- nicotine receptor agonisten
- vooral in context van rookstop
- nicotine substitutie (kauwgom, inhaler, tabletten, transdermaal)
-
varenicline(Champix)- altijd combineren met andere ondersteuning
-
bupropion- antidepressivum
- risico op epilepsie
- muscarine receptor agonisten
- indirect werkende cholinomimetica
- cholesterase (ChE) remmers
- werking: drie stappen
- binding ACh aan enzym t.h.v. anionische plaats
- hydrolyse ACh t.h.v. esterase plaats; acetylatie op –OH van een serine
- hydrolyse acetyl-enzym
- eigenschappen
- NT-specifiek: ACh
- niet receptorspecifiek
- dringen moeilijk/niet door tot in ganglia
- structuur
- tertiair
- quaternair
- niet door BBB
- soorten
- reversibel (-stigmine e.a.)
- centraal werkend (bij Alzheimer's)
donepezilrivastigminegalantamine
- tertiair
-
fysostigmine- miosis bij gesloten hoek glaucoom
- antidotum bij tertiaire anti-cholinergica intoxicatie
-
- quaternair
-
neostigmine- post-op maag/darm/blaasatonie
-
pyridostigmine- post-op maag/darm/blaasatonie
- myasthenia gravis
- auto-immuun spierziekte m.b.t. nicotine receptor in NMJ
-
- algemene indicaties
- opheffen van het effect van pachycurares
- combineren met
atropine- countert parasympathische bijwerkingen
- combineren met
- opheffen van het effect van pachycurares
- centraal werkend (bij Alzheimer's)
- irreversibel
- effect
- bronchospasme en hypersecretie
- paralyse ademhalingsspieren
- depressie ademhalingscentrum
- werken dagen-weken
- vaak door BBB
- indicaties
- niet klinisch
- insecticide (E605, ...)
- oorlogsgas (novichok, sarin, ...)
- behandeling
atropine-
pralidoxime- ChE re-activator
- vroege toediening noodzakelijk
diazepam
- behandeling
- effect
- reversibel (-stigmine e.a.)
- werking: drie stappen
- cholesterase (ChE) remmers
- direct werkende cholinomimetica
| Stof | Receptorwerking | Soort amine | Opmerking |
|---|---|---|---|
ACh |
M + N | quaternair | te korte halfwaardetijd |
pilocarpine |
M | tertiair | oog: miose; bij monddroogte |
carbachol |
M + N | quaternair | oog: miose |
- rookstop

- vaak relapse
- medicatie enkel zinvol bij gemotiveerde patiënten
alternatief: e-sigaretten
2.1.5 Inhibitie
| Locatie/receptor | Agonist | Antagonist |
|---|---|---|
| Neuromusculaire junctie (NMJ) | nicotine* | curare |
| Parasympathische neuro-effectorverbinding | muscarine* | atropine |
| Autonome ganglia | nicotine(*) | (ganglionblokkers) |
- muscarine blokkers
-
atropine-
cocainewerd vroeger soms versneden metatropineom prijs te drukken
-
-
scopolamine- tegen reisziekte
- Scopoderm (tm) pleisters
- in België: magistraal voorschrijven
-
thiotropium- enkel M3
-
- anti-muscarine
- effecten
- tricyclische antidepressiva (TCA)
- fenothiazines, thioxantenen
- carbamazepine
- H1-blokkers
- disopyramide
- ...
- indicaties
- anesthesie
- pre
- per
- post: counter pachycurares met ChE
- oftalmo: mydriase
- stomato: speeksel -
- pneumo: bij COPD en onderhoud van astma
- cardio: bij extreme bradycardie en AV geleidingsstoornissen
- GI: bij spasmen of galblaaskolieken
- CZS
- Parkinson
- tegen extrapyramidale symptomen van anti-psychotica
- reisziekte:
scopolamine
- uro: bij urge incontinentie of ureterkolieken
- anesthesie
- effecten
- anti-cholinergica
- cave: hypertermie (vooral bij kinderen)
- BPH = benigne prostaat hypertrofie
| Orgaan | Anticholinerg effect | Bijwerkingen | Contra-indicaties |
|---|---|---|---|
| Oog | • Mydriase • Accommodatie ↓ |
• Visusstoornissen | • Glaucoom — absolute contra-indicatie |
| Speekselklieren | • Secretie ↓ | • Droge mond | — |
| Longen | • Secretie ↓ | • Indikken van de secreties → bemoeilijkte evacuatie bij een astma-aanval | • Zware astma-aanval |
| Hart | • Positief chronotroop effect | • Tachycardie • Palpitaties |
• Hartfalen • Tachycardie |
| Gastro-intestinaal | • Secretie ↓ • Motiliteit ↓ • Sfinctertonus ↑ • Tonus gladde spieren ↓ • Transit ↓ |
• Obstipatie • Vertraagde maaglediging |
• Obstipatie — relatieve contra-indicatie • Refluxoesofagitis |
| Blaas | • Tonus fundus ↓ • Sfinctertonus ↑ |
• Bemoeilijkte mictie | • BPH — absolute contra-indicatie wegens gevaar voor urineretentie |
| Genitaal | • Erectie ↓ | • Potentiestoornissen | — |
| CZS | • Alleen bij passage door de bloed-hersenbarrière | • Sedatie • Excitatie • Hallucinaties |
— |
| Zweetklieren | • Verminderde zweetsecretie | • Hyperthermie, vooral bij kinderen | • Jonge kinderen |
- anticholinerge overdosis
- kenmerken
- red as a beet (vasodilatatie)
- dry as a bone (geen zweet)
- hot as a hare
- blind as a bat (mydriasis)
- mad as a hatter (delirium)
- full as a flask (volle blaas)
- tachycardie: vroegste en meest betrouwbare teken
- (darmgeluiden -)
- substanties
- Jimson weed (Datura stramonium)
- kenmerken
Inhibitie van neuro-musculaire transmissie
- NMJ
- NT: ACh
- nicotine receptor ()
- presynaptische inhibitie
- inhibitie van choline-transport
- minder ACh synthese
- enkel experimenteel
- inhibitie van ACh vrijzetting
- aminoglycosiden (AB) neveneffect
- botuline toxine
- verhindert vrijzetting van ACh vesikels
- Vistabel
- verkocht als geneesmiddel
- mag enkel door arts gezet worden
- -bungarotoxine
- andere
- tetanus neurotoxine ("klem")
- -latrotoxine (black widow spin)
- inhibitie van choline-transport
- postsynaptische inhibitie: curares
- quaternaire structuur
- niet door BBB
- geen centrale effecten
- niet door BBB
- effect: slappe spierparalyse
- indeling
- niet-depolariserend: pachycurares
- competitieve antagonisten van receptor
- antidotum: ChE remmers
- stoffen
atracuriumrocuronium
- depolariserend: leptocurares
- agonist van receptor
- effect: continue depolarisatie
- geen repolarisatie
- ChE remmers verergeren situatie
- stoffen
-
suxamethonium=succinylcholine
-
- niet-depolariserend: pachycurares
- quaternaire structuur

Toepassing 1: glaucoom
- kan blindheid veroorzaken
- begint perifeer
- risicofactor: verhoogde intraoculaire druk
- geen directe behandeling beschikbaar
- dus hoge druk vermijden
- gevolg: "cupping" van n. opticus hoofd
- cornea moeilijk doordringbaar
- dus oogmedicatie steeds in hoge doses nodig
- m. ciliaris
- kanaal van Schlemm is vernauwd bij mydriase
- minder afvoer oogvocht
- verhoogde druk
- behandeling: oogdruppels (1 druppel per oog in gootje)
- muscarine receptor agonisten (bv.
pilocarpine) - niet-selectieve -blokkers (bv.
timolol) - -agonisten
- prostaglandine (PG) analogen (bv.
latanoprost) - koolzuur anhydrase (KZA) inhibitoren
- cave: systemisch effect
- hoge concentraties
- nasolacrimaal kanaal 1-2min dicht drukken
- ogen sluiten
- muscarine receptor agonisten (bv.
Toepassing 2: luizen - teken - schurft
Pediculosis capitis = hoofdluizen
- behandeling
- niet-farmacologisch
- nat-kam methode
- met luizenkam
- arbeidsintensief
- nat-kam methode
- farmacologisch
-
ivermectin- anti-parasitair
- niet door BBB
- wel kans op neurotoxiciteit
- R/ magistraal of Soolantra creme (off label)
- werkt ook tegen onchocerciasis en schurft in systemische vorm (PO)
-
- niet-farmacologisch
Schurft = scabiës
- oorzaak: mijt (Sarcoptes scabiei hominis)
- maken tunneltjes in opperhuid
- heel besmettelijk
- meldingsplicht bij collectieve uitbraken (meer dan 1 patiënt/gezin)
- behandeling
- linnen wassen op 60+ graden
- lokaal
-
permethrinecreme 5% (Zalvor of magistraal)- hele lichaam
- 8-12u laten inwerken
- daarna afwassen
- combineer met anti-jeuk (bv. anti-H1)
-
ivermectincreme 1% (off label) - (
benzylbenzoaat)
-
- systemisch:
ivermectinPO- 2 doses met 1-2w tussen
Teken (Ixodes ricinus)
- vooral in tuin en bos
- preventie: tekencontrole na wandeling, bosspel
- risico op Lyme
- Borrelia burgdorferi
- behandeling: AB
- na verschijnen erythema migrans (bull's eye)
- 2-30d na beet
- volwassenen:
doxycycline - kinderen:
amoxycilline
- na verschijnen erythema migrans (bull's eye)
2.2 MC Adrenerge transmissie
2.2.1 Anatomie

- orthosympatisch: NA (excl. zweetklieren)
- systemische productie
adrenalinein bijnier
2.2.2 Synthese, vrijzetting en heropname van NA en A
- fenylethylamine
- fenylethylamine derivaten
- catecholaminen = di-hydroxy-fenylethylaminen
- enkel structuur van
dopamine, NA, en A te kennen
- catecholaminen = di-hydroxy-fenylethylaminen
| Derivaat | Ring | NH- | β- | α- | Catecholamine |
|---|---|---|---|---|---|
dopamine |
3,4-OH | -H | -H | -H | ja |
noradrenaline |
3,4-OH | -H | -OH | -H | ja |
adrenaline |
3,4-OH | -methyl | -OH | -H | ja |
isoprenaline |
3,4-OH | -C(CH3)2 | -OH | -H | ja? |
| terbutaline | 3,5-OH | -C(CH3)2 | -OH | -H | nee |
amfetamine |
— | -H | -H | -CH3 | nee |

- phenylalanine (Phe) > tyrosine (Tyr)
- essentieel AZ (uit voeding)
- in lever
- -methyltyrosine
- Tyr > (L-)DOPA
- in cytoplasma
- snelheidslimiterende stap
- DOPA >
dopamine(DA)- in cytoplasma
-
dopamine>noradrenaline(NA)- in granulen
-
noradrenaline>adrenaline(A)- in cytoplasma
-
dopamine>epinine- in cytoplasma
-
epinine>adrenaline- in ???

- NET: norepinephrine transporter
- = uptake-1
- heropname NA
- inhibitie
- tricyclische antidepressiva (TCA)
cocaineamfetamine- efedrine
- 40% naar mono-amine oxidase (MAO)
- in buitenste membraan mitochondria
- afbraak catecholamines
- 60% naar vesikels
- high affinity catecholamine carrier
- inhibitie door
reserpine
- inhibitie door
- high affinity catecholamine carrier
- regulatie exocytose
- (+) angiotensine II receptor
- (+) presynaptische -receptor
- (-) presynaptische -receptor
- uptake-2
- postsynaptische receptor
- niet-neuronale opname NA
- minder selectief
- minder snel verzadigd
2.2.3 Verwijdering en afbraak

- presynaptisch (NET) + postsynaptisch (+ naar bloedbaan)
- enzymes
- MAO
- COMT
- aldehyde dehydrogenase
- NA > ... > VMA
- meetbaar in urine
- A > ... > VMA
-
dopamine> MAO/COMT > COMT/MAO > HVA - biogene amines
- bv. histamine
- effecten
- neurotransmitters
- bloeddruk regeling
- maagzuur productie
- normaal snel afgebroken (DAO)
- intolerantie bij
- te trage afbraak
- te hoge inname
- oude kaas
- niet-verse vis
- alcohol: rode wijn en bier
- gefermenteerde producten: vlees, zuurkool, kombucha, ...
2.2.4 Receptoren
- : postsynaptisch
- : vooral presynaptisch (negatieve feedbackloop)
- : postsynaptisch
-
: beide
- presynaptisch: verhoogt NA vrijzetting
- (: lipolyse, thermogenese)
- adrenerge agonisten
- direct werkend
- gemengd werkend
- indirect werkend
2.2.5 Activatie: direct werkende sympathomimetica
| Agonist | ||||
|---|---|---|---|---|
noradrenaline |
+++ | +++ | ++ | + |
adrenaline |
++ | ++ | +++ | +++ |
isoprenaline (isopropyl-NA) |
0 | 0 | +++ | +++ |
fenylefrine |
++ | 0 | 0 | 0 |
clonidine, guanfacine
|
0 | +++ | 0 | 0 |
salbutamol |
0 | 0 | + | +++ |
ritodrine |
0 | 0 | + | +++ |
dobutamine |
0 | 0 | +++ | + |
- NA
- endogeen: beide
- exogeen: vooral
- BP+ door vasoconstrictie
- bradycardie
- A
- lage concentratie:
- DBP- door vasodilatatie
- (SBP+)
- tachycardie
- hoge concentratie: beide
- DBP+
- SBP+
- minder tachycardie
- lage concentratie:
- isopropylNA: enkel
- vasodilatatie
- tachycardie
- positief inotroop
- imidazolinederivaten:
- niet voor kinderen
- voorbeelden
nafazolinetramazoline-
clonidine: enkel- BP-
- (
xylazine: )- sedativum bij dieren
| Orgaan / structuur | ||||
|---|---|---|---|---|
| Gladde spiercellen | ||||
| Arteriolen en venen | Constrictie | Constrictie | ||
| Bloedvaten | 0 | Dilatatie, vooral in skelet- en hartspier → BP↓ en freq↑ | ||
| Bronchi | 0 | 0 | Dilatatie | |
| GI-stelsel: propulsieve spieren | Relaxatie | 0 | Relaxatie → transit ↓ | 0 |
| GI-stelsel: sfincters | Contractie | 0 | 0 | 0 |
| Uterus | Contractie | 0 | 0 | Relaxatie |
| Blaas: m. detrusor | 0 | 0 | 0 | Relaxatie |
| Blaas: sfincter | Contractie | 0 | 0 | 0 |
| Zaadblaasjes en vas deferens | Contractie → ejaculatie | 0 | 0 | Relaxatie |
| M. ciliaris | 0 | Relaxatie | ||
| Iris: m. dilatator pupillae | Contractie → mydriase, zonder accommodatiestoornissen | 0 | ||
| Hart | ||||
| Sinusknoop | 0 | 0 | Positief chronotroop effect | 0 |
| Ventrikel, AV-knoop, bundel van His en Purkinjevezels | Positief dromotroop effect | |||
| AV-knoop, bundel van His en Purkinjevezels | Positief bathmotroop effect | |||
| Ventrikelspier | Positief inotroop effect | |||
| Metabole en endocriene effecten | ||||
| Lever | Glycogenolyse | 0 | 0 | Glycogenolyse |
| Vetweefsel | Lipolyse | 0 | ||
| Nier | Reninesecretie ↓ | Reninevrijzetting ↑ → angiotensine II ↑ | ||
| Pancreas | Insulinesecretie ↓ | 0 | Insulinesecretie ↑ | |
| Skeletspier | 0 | Tremor en glycogenolyse | ||
| Zenuwstelsel en neuro-effectorjunctie | ||||
| Orthosympathische zenuwuiteinden in de neuro-effectorjunctie | 0 | Noradrenalinevrijzetting ↓ → bloeddruk ↓ | ||
| Centraal zenuwstelsel | Orthosympathische outflow ↓ → bloeddruk ↓ | |||
| Zenuwuiteinden in de neuro-effectorjunctie | 0 | Noradrenalinevrijzetting ↑ | ||
| Mestcellen | 0 | Histaminevrijzetting ↓ |
- indicaties van adrenerge agonisten
- (a) BP+ bij shock
- hypovolemisch: eerst opvullen
- cardiogeen:
dopamine - anafylactisch:
adrenalineIM
- (b) induceren lokale vasoconstrictie
- bij lokale anesthesie +
adrenaline(?) - neusdecongestie (bv. Nesivine)
- cave: rhinitis medicamentosa bij overmatig gebruik
- bij lokale anesthesie +
- (c) essentiële arteriële vaatspasmen:
- bv. fenomeen van Raynaud
- (d) essentiële hypertensie:
- niet in eerste lijn
- (e) activeren hartfunctie
- frequentie:
dopamine,dobutamine - bradycardie en AV geleiding:
isoprenaline - hartstilstand:
adrenaline - acute hypotensie: NA
- frequentie:
- (f) astma:
- (g) tocolyse = weeënremming bij vroeggeboorte:
- vroeger, nu betere alternatieven
-
atosiban(oxytocine antagonist) - calcium kanaal blokkers (CCBs)
-
- vroeger, nu betere alternatieven
- (h) induceren mydriase:
- (i) ADHD en narcolepsie
- ADHD
-
amfetamine: indirect werkend, stimulans- inhibitie heropname NA en
dopamine
- inhibitie heropname NA en
-
guanfacine: alfa2, niet-stimulans
-
- narcolepsie
modafinil
- ADHD
- (j) sedatie volwassenen op ICU:
dexmedetomidine
- (a) BP+ bij shock
| Stof / receptoragonist | Farmacologische effecten | Ongewenste effecten |
|---|---|---|
adrenaline |
• positief chronotroop, dromotroop en bathmotroop effect • vasoconstrictie • preload ↑ en afterload ↑ |
• tachycardie • extrasystolen • tachyaritmieën • hypertensie • angor |
| -agonisten | • vasoconstrictie • preload ↑ en afterload ↑ • mydriase |
• hypertensie met reflexbradycardie • angor • oogdruk ↑ bij nauwehoekglaucoom • excitatie |
| -agonisten | • centrale orthosympathische outflow ↓ • noradrenalinevrijzetting ↓ |
• orthostatische hypotensie • bradycardie • sedatie • droge mond • seksuele stoornissen • clonidine-withdrawalsyndroom |
| -agonisten | • positief chronotroop, dromotroop, bathmotroop en inotroop effect | • tachycardie • extrasystolen • tachyaritmieën • angor |
| -agonisten | • residuele -effecten • noradrenalinevrijzetting ↑ • vasodilatatie |
• tachycardie • extrasystolen • aritmieën, vooral bij verhoogde gevoeligheid voor adrenerge stoffen • tremor |
dopamine |
• d1-, - en -effecten, afhankelijk van de dosis | • - en -effecten, afhankelijk van de dosis |
2.2.6 Activatie: indirect werkende sympathomimetica
- indeling
- (1) stimulatoren van NA vrijzetting
-
amfetamine- verdrijft NA uit granules
- lekt weg naar synaptische spleet
- door BBB
- tachyfylaxis (~= tolerantie)
- plotse vermindering van effect
- oorzaak: uitputting NA productie
- niet bij directe sympathomimetica
- verdrijft NA uit granules
-
- (2) reuptake inhibitor
- inhibitie NA via NET
- inhibitie 5HT via SERT
- SSRI's: zie deel 3
- TCA
cocaine
- (3) MAO inhibitor (IMAO)
- (4) COMT inhibitor
- (5) (intrinsieke activiteit op - en -receptoren)
- (1) stimulatoren van NA vrijzetting
2.2.7 Inhibitie
2.2.7.1 receptor blokkers
- effecten
- bloedvaten
- vasodilatatie in arteriolen en venen
- preload -
- afterload -
- freq +
- BP -
- renine +
- water- en zoutretentie
- cave orthostatische hypotensie, zeker bij eerste dosis
- eerst in bed gaan liggen, dan innemen
- vasodilatatie in arteriolen en venen
- GI
- motiliteit +
- diarree (zwak effect)
- motiliteit +
- bronchi: weinig effect
- uterus: weinig effect
- blaas: -blokkers relaxeren de blaashalsspier en het prostaatkapsel
- zaadblaasjes en vas deferens: inhibitie ejaculatie
- iris: miose
- bloedvaten
- contra indicatie: hartfalen (!)
- indicaties
- weinig gebruikt
- (1) benigne prostaat hypertrofie (BPH)
- overgrote deel van gebruik
- (2) hypertensie
- niet in eerste lijn
- bij feochromocytoom (bijniertumor)
- nooit -blokker zonder eerst -blokker te geven
- pre-op: normaliseer BP
- per-op: hypertensie voorkomen tijdens manipulatie
- post-op: voor resterende tumorweefsel
- hypertensieve crisis
- o.a. bij overdosis -agonisten
- "kaasreactie" tijdens MAO inhibitor therapie
-
clonidinewithdrawal syndroom
- (3) hypovolemische shock
- pas NA volumecorrectie
- (4) arteriële vaatspasmen (centraal of perifeer)
2.2.7.2 -receptorblokkers
- competitieve antagonisten van -receptoren
- indeling
- -selectieve (= cardioselectieve) blokkers vs. niet-selectieve -blokkers
- hydrofiel vs lipofiel
- hydrofiel
atenololsotalol
- lipofiel
acebutololtimolol
- hydrofiel
-
-blokkers met partieel agonistische werking
- = intrinsiek sympathomimetische activiteit (ISA)
- vaak onduidelijk of het om of gaat
- met bijkomende -blok
- (
labetalol) - (
carvedilol)
- (
| zonder ISA | met ISA | |
|---|---|---|
| -selectief |
atenololmetoprolol
|
acebutololceliprolol
|
| niet-selectief |
propranololtimololsotalol
|
— |
- effecten
| Effecten van -blokkers | Bijwerkingen | Contra-indicaties |
|---|---|---|
| negatief chronotroop effect | • bradycardie | • reeds bestaande bradycardie • sick sinus syndroom |
| negatief dromotroop effect | • AV-geleidingsstoornissen • AV-blok |
• reeds bestaande av-geleidingsstoornissen • voorzichtig bij gelijktijdige behandeling met verapamil of diltiazem |
| negatief inotroop effect | • hartfalen | • longoedeem bij acuut linkerhartfalen |
| bloeddruk ↓ | • zelden hypotensie | • hypotensie |
| tendens tot bronchoconstrictie | • bronchospasmen • astma-aanval bij patiënten met astma of aanleg voor astma |
• geen niet-selectieve -blokkers bij astma of copd • alleen cardioselectieve -blokkers |
| vasoconstrictie | • koude handen en voeten • verergering van claudicatio intermittens en de ziekte van raynaud |
• circulatiestoornissen, zoals claudicatio en de ziekte van raynaud • alleen -blokkers toedienen |
| tonus van de uterus ↑ | • |
• aan het einde van de zwangerschap kunnen -blokkers overgaan naar het kind • risico op ernstige neonatale bradycardie met ischemie en hypoglykemie |
| GI-motoriek ↑ | • krampen • diarree |
|
| glycogenolyse ↓ lipolyse ↓ |
• risico op verlengde hypoglycemische reacties bij diabetici die met insuline worden behandeld • symptomen van hypoglykemie zijn minder duidelijk |
• bij met insuline behandelde diabetici alleen selectieve -blokkers gebruiken wegens minder uitgesproken metabole effecten |
| centraal zenuwstelsel | • moeheid • lusteloosheid • nachtmerries • soms psychische depressie |
• bestaande psychische depressie |
- indicaties
- belangrijkste
- (1) essentiële hypertensie
- (2) angor pectoris
- (3) acuut myocardinfarct (AMI)
- (4) ritmestoornissen t.g.v. orthosympathische tonus
- (5) stabiel hartfalen
- heeft dus hartfalen zowel als bijwerking als behandeling
- lage dosis
- traag opbouwen
- anders risico op acuut longoedeem
- overige
- anxiolyse
- tremor
- hyperthyreoïdie
- tremor + tachycardie
- daarnaast ook causale behandeling
- openhoekglaucoom
- preventie migraine
- feochromocytoom
- obstructieve hypertrofische cardiomyopathie
- hemangioom
- belangrijkste
2.2.7.3 Neuronblokkers
- remmen sympathische transmissie
- - + -blokker
-
reserpine- inhibitie high affinity catecholamine carrier in vesikelwand
- depletie van neurotransmitters
-
alfa-methyl-dopa- prodrug
- intraneuronale omzetting
-
alfa-methyl-dopa>alfa-methyl-dopamine>alfa-methyl-NA- neemt plaats NA in vesikels in
- dus minder -activatie
- dus minder vasoconstrictie
- geen afbraak door MAO, dus langdurige werking
- neemt plaats NA in vesikels in
-
-agonist (centraal + perifeer)
- onderdrukt sympathicus
- verlaagt bloeddruk
- onderdrukt sympathicus
- indicatie
- anti-hypertensivum bij zwangerschap
- (andere hypertensie)
- bijwerkingen
- orthostatische hypotensie
- natrium- en waterretentie
- ejaculatiestoornissen
- neuscongestie
- psychische depressie
- prodrug

Toepassing 3: obesitas en farmacotherapie
- farmacovigilantie
- benefit-risk afweging
- meer en meer kinderen met obesitas
- historische eetlustremmers
- cardiovasculaire toxiciteit
- pulmonaire hypertensie
-
orlistat- lipase inhibitor (in maag en pancreas)
- indicaties
- samen met dieet
- BMI >= 30
- BMI >= 28 en andere risicofactoren (DM2, hyperlipidemie)
- bijwerking
- steatorrhee
- verlies vetoplosbare vitamines
- dus vetinname beperken
- combineren met dieet
- in lage dosis zelfs beschikbaar over the counter (OTC)
-
sibutramine(Reductil)- 5HT en NA (en
dopamine) reuptake inhibotor - beperkt effect, geen duurzaam gewichtsverlies
- SmPC: max 1 jaar gebruiken
- niet realistisch
- cardiovasculair risico
- BP+
- freq+
- van EU markt sinds 2010
- 5HT en NA (en
-
rimonabant(Acomplia)- niet meer op markt sinds 2009
- cannabinoid receptor (CB1) antagonist
- indicaties
- BMI >= 30
- BMI >= 27 en andere risicofactoren (DM2, hyperlipidemie)
- psychiatrische bijwerkingen
- contra-indicatie: depressie of gebruik anti-depressiva
-
liraglutide(Saxenda)- GLP-1 analoog
- cf.
semaglutide(Ozempic / Wegovy)
- cf.
- toediening: SC
- SmPC: aanvulling op dieet en beweging bij volwassenen met verhoogd BMI
- BMI >= 30
- BMI >= 27 en min 1 comorbiditeit (hypertensie, (pre)diabetes, dyslipidemie, slaapapneu, ...)
- stop als patiënt na 12w niet minstens 5% gewicht kwijt is (bij dosis 3.0 mg)
- recent: tekort aan GLP-1 analogen
- voorrang geven aan DM2-patiënten
- GLP-1 analoog
-
tirzepatide(Mounjaro)- dubbele agonist
- GLP-1: glucagon-like peptide-1 analoog
- GIP: glucose-dependent insulinotropic polypeptide
- indicaties
- DM2
- gewichtsbeheersing
- dubbele agonist
-
naltrexonenbupropion(Mysimba)- SmPC: aanvulling op dieet en beweging bij volwassenen met verhoogd BMI
- BMI >= 30
- of BMI >= 27 en min 1 comorbiditeit
- SmPC: aanvulling op dieet en beweging bij volwassenen met verhoogd BMI
| stof | merknaam | werking | indicaties | risico | nog op markt |
|---|---|---|---|---|---|
orlistat |
lipaseremmer | BMI ≥ 30; of BMI ≥ 28 met risicofactoren | steatorrhee; verlies van vetoplosbare vitaminen | ja | |
sibutramine |
Reductil | 5-HT- en NA-reuptake-inhibitor | obesitas | bloeddruk ↑; hartfrequentie ↑; cardiovasculair risico | nee |
rimonabant |
Acomplia | CB1-antagonist | BMI ≥ 30; of BMI ≥ 27 met risicofactoren | psychiatrische bijwerkingen | nee |
liraglutide |
Saxenda | GLP-1-analoog | BMI ≥ 30; of BMI ≥ 27 met minstens één comorbiditeit | ja | |
tirzepatide |
Mounjaro | GLP-1- en GIP-agonist | DM2; gewichtsbeheersing | ja | |
naltrexon + bupropion
|
Mysimba | BMI ≥ 30; of BMI ≥ 27 met minstens één comorbiditeit | ja |
Centrale stimulantia
- heel kort besproken
- verhogen centrale catecholaminerge activiteit
- toepassingen amfetamines
- doping
- anorexigeen / eetlustremmer
- afgeraden
- risico op addictie
- cardiovasculair risico
- niet bewezen duurzaam
- ADHD en narcolepsie
- epidemiologie
- veel gebruik bij kinderen
- jongens > meisjes
- Vlaanderen >> Wallonie > Brussel
- West-Vlaanderen > Limburg > ...
- onderverdeling
- stimulantia
- niet-stimulantia
- epidemiologie
| stof | ADHD | narcolepsie | stimulans | opmerkingen |
|---|---|---|---|---|
methylfenidaat (Rilatine, Concerta) |
ja | ja | ja | |
lisdexamfetamine |
ja | nee | ja | |
modafinil |
nee | ja | ja | |
atomoxetine |
ja | nee | nee | NA reuptake inhibitor |
guanfacine |
ja | nee | nee | -agonist |
2.3 MC Dopaminerge transmissie
- dopamine
- vooral als NT in CZS
- beperkte distributie in orthosympathisch ZS
- synthese: zie A en NA
- afbraak: MAO en COMT
- inactief per os (PO)
- niet door BBB
- L-DOPA wel
- hypofyse wel bereikbaar door BBB (wegens gefenestreerde capillairen)
- receptoren
| lokalisatie | ||
|---|---|---|
| bloedvaten van nier en mesenterium | dilatatie | |
| maag | maaglediging ↓ | |
| medulla oblongata | braken | |
| hypofysevoorkwab = adenohypofyse | prolactine-, GH+ |
- indicaties
- binnen CZS
- cardiogene shock (cf. supra)
- prolactinoom
bromocriptinecabergoline
- stop melksecretie
cabergoline
- Parkinson
- restless leg syndrome
- buiten CZS
-
antagonisten
metoclopramidedomperidonealizapride
- risico's
- extrapiramidale symptomen (EPS)
- acute dystonie
- aritmie
- extrapiramidale symptomen (EPS)
-
antagonisten
- binnen CZS
- farmacovigilantie
- adverse drug reactions (ADRs)
-
bromocriptineniet veilig lactatie inhibitie- cardiovasculair
- neurologisch
- psychiatrisch
- meerdere doden
2.4 MC Serotonerge transmissie
- serotonine = 5-hydroxy-tryptamine (5-HT)
- locaties
- hersenen: epifyse - precursor van melatonine
- GI: enterochromaffiene cellen
- zenuwcellen myenterische plexus
- orthosympathische zenuwuiteinden
- nociceptieve zenuwuiteinden
- thrombocyten
- active carrier mechanism
- synthese

- tryptofaan (Trp) > 5-hydroxy-tryptofaan (5-H-Trp)
- essentieel aminozuur
- snelheidslimiterende stap
- 5-hydroxy-tryptofaan > 5-hydroxy-tryptamine (5-HT)
- afbraak
- MAO en aldehyde dehydrogenase
- eindproduct: 5-hydroxy-indolazijnzuur (5-HIAA)
- synaps

- pre-synaptisch
- NET: reuptake
- 5-HT-1 receptor (negatieve feedbackloop)
- effecten
- erg variabel
- enorm aantal receptoren
- zenuwstelsel
- centraal: zie deel 3
- perifeer
- GI
- braakcentrum
- nociceptie
- (long)
- cardiovasculair
- contractie (vooral 5-HT2 receptor)
- dilatatie skelet- en hartspier
- venoconstrictie
- bloedplaatjes aggregatie (5-HT2)
- GI
- tonus+
- peristalsis+
- skeletspier
- 5-HT receptor agonisten
-
sumatripan(en andere triptanen)- bij zware migraine aanval
-
ergotamine- partiele agonist
- partiele 5-HT1 agonist
- LSD: op dopamine en serotonine receptoren in CZS
- cave combinatie van 5-HT agonisten
- voorbeelden
- psychofarmaca (TCA, SSRI, MAO-I, lithium, ...)
- drugs: LSD, XTC, cocaine, amfetamines
- opioden
- tramadol
- ...
- risico: serotonine syndroom
- agitatie of bewegingsonrust
- verwardheid
- hoge hartslag en hoge bloeddruk
- gedilateerde pupillen
- verlies van spiercoördinatie of twitching muscles
- spierrigiditeit
- hevig transpireren
- diarree
- hoofdpijn
- beven
- goose bumps
- levensbedreigend
- hoge koorts
- beroerte
- hartritmestoornissen
- bewustzijnsverlies
- voorbeelden
-
- 5-HT receptor antagonisten
-
risperidon: 5-HT2 (zie deel 3) -
ondansetron: 5-HT3, sterk anti-emetisch
-

