Farmacologie deel 2: perifeer en autonoom zenuwstelsel

Herhaling

  • long: astma / COPD
Afkorting Betekenis
β2-mimetica Bronchodilatators - best bij astma
FABA Fast Acting β2 Agonist (~2 min)
SABA Short Acting β2 Agonist (60–90 min)
LABA Long Acting β2 Agonist (12–24 u)
Anticholinergica Bronchodilatators - best bij COPD
SAMA Short-Acting Muscarinic Antagonist
LAMA Long-Acting Muscarinic Antagonist
Corticosteroïden Anti-inflammatoire therapie
ICS Inhaled Corticosteroids
OCS Oral Corticosteroids
  • hart
    • chronotroop: frequentie
    • dromotroop: geleidingssnelheid
    • bathmotroop: prikkelbaarheid myocard
    • inotroop: contractiekracht
  • bijnier
    • productie van catecholamines
      • adrenaline (A)
      • noradrenaline (NA)
    • cf. orthosympathisch ganglion
      • zelfde embryologische oorsprong
      • preganglionaire input: ACh (nicotinerg)
      • output: A en NA in bloed (i.p.v. enkel NA in axon)
  • oogspieren
    • accommodatie = lensvorm aanpassing om dichtbij te kunnen zien
      • m. ciliaris
    • miosis
      • m. dilatator pupillae
    • mydriasis
      • m. constrictor pupillae
  • zenuwstelsel
    • centraal
    • perifeer
      • afferent
      • efferent
        • motorisch
          • neuro-musculaire junctie (NMJ)
          • -motorneuronen
          • -motorneuronen
        • autonoom
          • (enterisch)
          • orthosympathisch ("fight or flight")
            • ganglia goed beschermd
              • medicatie heeft tijd nodig om in te werken
            • exclusief ortho
              • skeletspieren
              • zweetklieren
              • veel bloedvaten
              • nier
              • m. dilatator pupillae
            • chromaffiene cellen bijniermerg ~= postganglionaire orthosympathische neuronen
          • parasympathisch ("rest and digest")
            • exclusief para
              • m. constrictor pupillae
              • m. ciliaris
              • gastrointestinale klieren
              • traanklieren
              • bronchiale gladde spieren
                • maar bezitten wel -receptoren
Kenmerk Orthosympathisch ZS Parasympathisch ZS
Outflow Thoracolumbaal Craniosacraal
Uittrede preganglionair neuron T1–L2 III, VII, IX, X en S2–S4
Cellichamen Thoracaal Mesencephalon / medulla oblongata / sacraal
Preganglionair neuron Kort Lang
Postganglionair neuron Lang Kort
Ganglia Paravertebraal Dicht bij het effectororgaan
NT in autonoom ganglion ACh ACh
NT ter hoogte van neuro-effectorverbinding Noradrenaline (NA) ACh

2.1 MC Cholinerge transmissie

2.1.1 Anatomie

  • acetyl-choline (ACh) als neurotransmitter (NT)
    • autonoom ZS
      • para
        • ganglia
        • alle neuro-effector juncties
      • ortho
        • ganglia
        • sommige neuro-effector juncties (e.g., zweetklieren)
      • enterisch
    • motorisch
      • NMJ
Locatie/receptor Agonist Antagonist
Neuromusculaire junctie (NMJ) nicotine* curare
Parasympathische neuro-effectorverbinding muscarine* atropine
Autonome ganglia nicotine(*) (ganglionblokkers)
    • effect van cholinesteraseremmer (en ook evt CZS)

2.1.2 Synthese, vrijzetting en afbraak van ACh

  • CAT = choline acetyl transferase
  • CoA = co-enzyme A
  • AcCoA = acetyl-CoA
  • cholinesterase (Che): ACh -> acetaat + choline
  • botuline toxine (botox)
    • inhibeert exocytose
    • dus pre-synaptisch
    • dus NT-specifiek: ACh
    • dus niet receptor-specifiek

2.1.3 Receptoren

Receptortype Subtype Lokalisatie
Muscarinereceptor M1 — “neuraal” • Ganglia van het enterisch zenuwstelsel
• Centraal zenuwstelsel
Muscarinereceptor M2 — “cardiaal” • Hart: sinusknoop, atrium en AV-knoop
• Presynaptische uiteinden van perifere en centrale neuronen
Muscarinereceptor M3 — “klier/gladde spier” • Exocriene klieren
• Gladde spieren
• Endotheelcellen
• Pariëtale cellen van de maag
Nicotinereceptor • Neuromusculaire junctie (NMJ) van skeletspieren
Nicotinereceptor • Centraal zenuwstelsel
• Bijniermerg
• Autonome ganglia

2.1.4 Activatie

  • effecten
    • m. constrictor pupillae (M3): miosis
    • m. ciliaris (M3): accommodatie
    • traanklieren (M3)
    • neusslijmvlies (M3)
    • speekselklieren (M3)
    • longen
      • secretie +
      • bronchoconstrictie (M3)
    • hart (M2)
      • sinusknoop: freq -
      • atriale spier: negatief inotroop (minder contractiekracht)
      • AV knoop: negatief dromotroop (tragere geleiding)
    • GI (M3)
      • secretie +
      • motiliteit +
      • sfinctertonus -
    • blaas (M3)
      • bevordert mictie
        • contractie fundusspier
        • relaxatie sfincter
    • genitaal: erectie
    • sommige bloedvaten (huid/skeletspieren): lichte vasodilatatie (NO)
    • CZS
      • hangt af van doorgankelijkheid BBB voor farmacon
    • autonome ganglia (M + N)
      • wisselend effect ortho + para (door betere bescherming ortho)
      • hoge dosis: depolarisatieblok
    • NMJ
      • kracht +
      • fasciculaties (onderhuidse spiertrillingen)
      • depolarisatieblok
  • selectiviteit
    • quaternair amine ()
      • obligaat positief
        • polair
        • hydrofiel
        • kan niet door membranen
    • tertiair amine ()
      • lading i.f.v. pH
        • lagere pH ~ vaker geladen
        • ongeladen vorm kan door membranen
          • en soms ook door BBB
  • manieren
    • direct werkende cholinomimetica
      • muscarine receptor agonisten
        • zie tabel
        • zelden gebruikt
      • nicotine receptor agonisten
        • vooral in context van rookstop
        • nicotine substitutie (kauwgom, inhaler, tabletten, transdermaal)
        • varenicline (Champix)
          • altijd combineren met andere ondersteuning
        • bupropion
          • antidepressivum
          • risico op epilepsie
    • indirect werkende cholinomimetica
      • cholesterase (ChE) remmers
        • werking: drie stappen
          • binding ACh aan enzym t.h.v. anionische plaats
          • hydrolyse ACh t.h.v. esterase plaats; acetylatie op –OH van een serine
          • hydrolyse acetyl-enzym
        • eigenschappen
          • NT-specifiek: ACh
          • niet receptorspecifiek
          • dringen moeilijk/niet door tot in ganglia
        • structuur
          • tertiair
          • quaternair
            • niet door BBB
        • soorten
          • reversibel (-stigmine e.a.)
            • centraal werkend (bij Alzheimer's)
              • donepezil
              • rivastigmine
              • galantamine
            • tertiair
              • fysostigmine
                • miosis bij gesloten hoek glaucoom
                • antidotum bij tertiaire anti-cholinergica intoxicatie
            • quaternair
              • neostigmine
                • post-op maag/darm/blaasatonie
              • pyridostigmine
                • post-op maag/darm/blaasatonie
                • myasthenia gravis
                  • auto-immuun spierziekte m.b.t. nicotine receptor in NMJ
            • algemene indicaties
              • opheffen van het effect van pachycurares
                • combineren met atropine
                  • countert parasympathische bijwerkingen
          • irreversibel
            • effect
              • bronchospasme en hypersecretie
              • paralyse ademhalingsspieren
              • depressie ademhalingscentrum
            • werken dagen-weken
            • vaak door BBB
            • indicaties
              • niet klinisch
              • insecticide (E605, ...)
              • oorlogsgas (novichok, sarin, ...)
                • behandeling
                  • atropine
                  • pralidoxime
                    • ChE re-activator
                    • vroege toediening noodzakelijk
                  • diazepam
Stof Receptorwerking Soort amine Opmerking
ACh M + N quaternair te korte halfwaardetijd
pilocarpine M tertiair oog: miose; bij monddroogte
carbachol M + N quaternair oog: miose
  • rookstop
    • vaak relapse
    • medicatie enkel zinvol bij gemotiveerde patiënten
    • alternatief: e-sigaretten

2.1.5 Inhibitie

Locatie/receptor Agonist Antagonist
Neuromusculaire junctie (NMJ) nicotine* curare
Parasympathische neuro-effectorverbinding muscarine* atropine
Autonome ganglia nicotine(*) (ganglionblokkers)
  • muscarine blokkers
    • atropine
      • cocaine werd vroeger soms versneden met atropine om prijs te drukken
    • scopolamine
      • tegen reisziekte
      • Scopoderm (tm) pleisters
      • in België: magistraal voorschrijven
    • thiotropium
      • enkel M3
  • anti-muscarine
    • effecten
      • tricyclische antidepressiva (TCA)
      • fenothiazines, thioxantenen
      • carbamazepine
      • H1-blokkers
      • disopyramide
      • ...
    • indicaties
      • anesthesie
        • pre
        • per
        • post: counter pachycurares met ChE
      • oftalmo: mydriase
      • stomato: speeksel -
      • pneumo: bij COPD en onderhoud van astma
      • cardio: bij extreme bradycardie en AV geleidingsstoornissen
      • GI: bij spasmen of galblaaskolieken
      • CZS
        • Parkinson
        • tegen extrapyramidale symptomen van anti-psychotica
        • reisziekte: scopolamine
      • uro: bij urge incontinentie of ureterkolieken
  • anti-cholinergica
    • cave: hypertermie (vooral bij kinderen)
    • BPH = benigne prostaat hypertrofie
Orgaan Anticholinerg effect Bijwerkingen Contra-indicaties
Oog • Mydriase
• Accommodatie ↓
• Visusstoornissen • Glaucoom — absolute contra-indicatie
Speekselklieren • Secretie ↓ • Droge mond
Longen • Secretie ↓ • Indikken van de secreties → bemoeilijkte evacuatie bij een astma-aanval • Zware astma-aanval
Hart • Positief chronotroop effect • Tachycardie
• Palpitaties
• Hartfalen
• Tachycardie
Gastro-intestinaal • Secretie ↓
• Motiliteit ↓
• Sfinctertonus ↑
• Tonus gladde spieren ↓
• Transit ↓
• Obstipatie
• Vertraagde maaglediging
• Obstipatie — relatieve contra-indicatie
• Refluxoesofagitis
Blaas • Tonus fundus ↓
• Sfinctertonus ↑
• Bemoeilijkte mictie • BPH — absolute contra-indicatie wegens gevaar voor urineretentie
Genitaal • Erectie ↓ • Potentiestoornissen
CZS • Alleen bij passage door de bloed-hersenbarrière • Sedatie
• Excitatie
• Hallucinaties
Zweetklieren • Verminderde zweetsecretie • Hyperthermie, vooral bij kinderen • Jonge kinderen
  • anticholinerge overdosis
    • kenmerken
      • red as a beet (vasodilatatie)
      • dry as a bone (geen zweet)
      • hot as a hare
      • blind as a bat (mydriasis)
      • mad as a hatter (delirium)
      • full as a flask (volle blaas)
      • tachycardie: vroegste en meest betrouwbare teken
      • (darmgeluiden -)
    • substanties
      • Jimson weed (Datura stramonium)
Inhibitie van neuro-musculaire transmissie
  • NMJ
    • NT: ACh
    • nicotine receptor ()
  • presynaptische inhibitie
    • inhibitie van choline-transport
      • minder ACh synthese
      • enkel experimenteel
    • inhibitie van ACh vrijzetting
      • aminoglycosiden (AB) neveneffect
      • botuline toxine
        • verhindert vrijzetting van ACh vesikels
        • Vistabel
        • verkocht als geneesmiddel
        • mag enkel door arts gezet worden
      • -bungarotoxine
    • andere
      • tetanus neurotoxine ("klem")
      • -latrotoxine (black widow spin)
  • postsynaptische inhibitie: curares
    • quaternaire structuur
      • niet door BBB
        • geen centrale effecten
    • effect: slappe spierparalyse
    • indeling
      • niet-depolariserend: pachycurares
        • competitieve antagonisten van receptor
        • antidotum: ChE remmers
        • stoffen
          • atracurium
          • rocuronium
      • depolariserend: leptocurares
        • agonist van receptor
        • effect: continue depolarisatie
          • geen repolarisatie
        • ChE remmers verergeren situatie
        • stoffen
          • suxamethonium = succinylcholine

Toepassing 1: glaucoom
  • kan blindheid veroorzaken
    • begint perifeer
    • risicofactor: verhoogde intraoculaire druk
    • geen directe behandeling beschikbaar
    • dus hoge druk vermijden
  • gevolg: "cupping" van n. opticus hoofd
  • cornea moeilijk doordringbaar
    • dus oogmedicatie steeds in hoge doses nodig
  • m. ciliaris
  • kanaal van Schlemm is vernauwd bij mydriase
    • minder afvoer oogvocht
    • verhoogde druk
  • behandeling: oogdruppels (1 druppel per oog in gootje)
    • muscarine receptor agonisten (bv. pilocarpine)
    • niet-selectieve -blokkers (bv. timolol)
    • -agonisten
    • prostaglandine (PG) analogen (bv. latanoprost)
    • koolzuur anhydrase (KZA) inhibitoren
    • cave: systemisch effect
      • hoge concentraties
      • nasolacrimaal kanaal 1-2min dicht drukken
      • ogen sluiten
Toepassing 2: luizen - teken - schurft
Pediculosis capitis = hoofdluizen
  • behandeling
    • niet-farmacologisch
      • nat-kam methode
        • met luizenkam
        • arbeidsintensief
    • farmacologisch
      • ivermectin
        • anti-parasitair
        • niet door BBB
        • wel kans op neurotoxiciteit
        • R/ magistraal of Soolantra creme (off label)
        • werkt ook tegen onchocerciasis en schurft in systemische vorm (PO)
Schurft = scabiës
  • oorzaak: mijt (Sarcoptes scabiei hominis)
    • maken tunneltjes in opperhuid
  • heel besmettelijk
  • meldingsplicht bij collectieve uitbraken (meer dan 1 patiënt/gezin)
  • behandeling
    • linnen wassen op 60+ graden
    • lokaal
      • permethrine creme 5% (Zalvor of magistraal)
        • hele lichaam
        • 8-12u laten inwerken
        • daarna afwassen
        • combineer met anti-jeuk (bv. anti-H1)
      • ivermectin creme 1% (off label)
      • (benzylbenzoaat)
    • systemisch: ivermectin PO
      • 2 doses met 1-2w tussen
Teken (Ixodes ricinus)
  • vooral in tuin en bos
  • preventie: tekencontrole na wandeling, bosspel
  • risico op Lyme
    • Borrelia burgdorferi
    • behandeling: AB
      • na verschijnen erythema migrans (bull's eye)
        • 2-30d na beet
      • volwassenen: doxycycline
      • kinderen: amoxycilline

2.2 MC Adrenerge transmissie

2.2.1 Anatomie

  • orthosympatisch: NA (excl. zweetklieren)
  • systemische productie adrenaline in bijnier

2.2.2 Synthese, vrijzetting en heropname van NA en A

  • fenylethylamine
  • fenylethylamine derivaten
    • catecholaminen = di-hydroxy-fenylethylaminen
    • enkel structuur van dopamine, NA, en A te kennen
Derivaat Ring NH- β- α- Catecholamine
dopamine 3,4-OH -H -H -H ja
noradrenaline 3,4-OH -H -OH -H ja
adrenaline 3,4-OH -methyl -OH -H ja
isoprenaline 3,4-OH -C(CH3)2 -OH -H ja?
terbutaline 3,5-OH -C(CH3)2 -OH -H nee
amfetamine -H -H -CH3 nee

  • phenylalanine (Phe) > tyrosine (Tyr)
    • essentieel AZ (uit voeding)
    • in lever
  • -methyltyrosine
  • Tyr > (L-)DOPA
    • in cytoplasma
    • snelheidslimiterende stap
  • DOPA > dopamine (DA)
    • in cytoplasma
  • dopamine > noradrenaline (NA)
    • in granulen
  • noradrenaline > adrenaline (A)
    • in cytoplasma
  • dopamine > epinine
    • in cytoplasma
  • epinine > adrenaline
    • in ???

  • NET: norepinephrine transporter
    • = uptake-1
    • heropname NA
    • inhibitie
      • tricyclische antidepressiva (TCA)
      • cocaine
      • amfetamine
      • efedrine
    • 40% naar mono-amine oxidase (MAO)
      • in buitenste membraan mitochondria
      • afbraak catecholamines
    • 60% naar vesikels
      • high affinity catecholamine carrier
        • inhibitie door reserpine
  • regulatie exocytose
    • (+) angiotensine II receptor
    • (+) presynaptische -receptor
    • (-) presynaptische -receptor
  • uptake-2
    • postsynaptische receptor
    • niet-neuronale opname NA
    • minder selectief
    • minder snel verzadigd

2.2.3 Verwijdering en afbraak

  • presynaptisch (NET) + postsynaptisch (+ naar bloedbaan)
  • enzymes
    • MAO
    • COMT
    • aldehyde dehydrogenase
  • NA > ... > VMA
    • meetbaar in urine
  • A > ... > VMA
  • dopamine > MAO/COMT > COMT/MAO > HVA
  • biogene amines
    • bv. histamine
    • effecten
      • neurotransmitters
      • bloeddruk regeling
      • maagzuur productie
    • normaal snel afgebroken (DAO)
    • intolerantie bij
      • te trage afbraak
      • te hoge inname
        • oude kaas
        • niet-verse vis
        • alcohol: rode wijn en bier
        • gefermenteerde producten: vlees, zuurkool, kombucha, ...

2.2.4 Receptoren

  • : postsynaptisch
  • : vooral presynaptisch (negatieve feedbackloop)
  • : postsynaptisch
  • : beide
    • presynaptisch: verhoogt NA vrijzetting
  • (: lipolyse, thermogenese)
  • adrenerge agonisten
    • direct werkend
    • gemengd werkend
    • indirect werkend

2.2.5 Activatie: direct werkende sympathomimetica

Agonist
noradrenaline +++ +++ ++ +
adrenaline ++ ++ +++ +++
isoprenaline (isopropyl-NA) 0 0 +++ +++
fenylefrine ++ 0 0 0
clonidine, guanfacine 0 +++ 0 0
salbutamol 0 0 + +++
ritodrine 0 0 + +++
dobutamine 0 0 +++ +
  • NA
    • endogeen: beide
    • exogeen: vooral
    • BP+ door vasoconstrictie
    • bradycardie
  • A
    • lage concentratie:
      • DBP- door vasodilatatie
      • (SBP+)
      • tachycardie
    • hoge concentratie: beide
      • DBP+
      • SBP+
      • minder tachycardie
  • isopropylNA: enkel
    • vasodilatatie
    • tachycardie
    • positief inotroop
  • imidazolinederivaten:
    • niet voor kinderen
    • voorbeelden
      • nafazoline
      • tramazoline
      • clonidine: enkel
        • BP-
  • (xylazine: )
    • sedativum bij dieren
Orgaan / structuur
Gladde spiercellen
Arteriolen en venen Constrictie Constrictie
Bloedvaten 0 Dilatatie, vooral in skelet- en hartspier → BP↓ en freq↑
Bronchi 0 0 Dilatatie
GI-stelsel: propulsieve spieren Relaxatie 0 Relaxatie → transit ↓ 0
GI-stelsel: sfincters Contractie 0 0 0
Uterus Contractie 0 0 Relaxatie
Blaas: m. detrusor 0 0 0 Relaxatie
Blaas: sfincter Contractie 0 0 0
Zaadblaasjes en vas deferens Contractie → ejaculatie 0 0 Relaxatie
M. ciliaris 0 Relaxatie
Iris: m. dilatator pupillae Contractie → mydriase, zonder accommodatiestoornissen 0
Hart
Sinusknoop 0 0 Positief chronotroop effect 0
Ventrikel, AV-knoop, bundel van His en Purkinjevezels Positief dromotroop effect
AV-knoop, bundel van His en Purkinjevezels Positief bathmotroop effect
Ventrikelspier Positief inotroop effect
Metabole en endocriene effecten
Lever Glycogenolyse 0 0 Glycogenolyse
Vetweefsel Lipolyse 0
Nier Reninesecretie ↓ Reninevrijzetting ↑ → angiotensine II ↑
Pancreas Insulinesecretie ↓ 0 Insulinesecretie ↑
Skeletspier 0 Tremor en glycogenolyse
Zenuwstelsel en neuro-effectorjunctie
Orthosympathische zenuwuiteinden in de neuro-effectorjunctie 0 Noradrenalinevrijzetting ↓ → bloeddruk ↓
Centraal zenuwstelsel Orthosympathische outflow ↓ → bloeddruk ↓
Zenuwuiteinden in de neuro-effectorjunctie 0 Noradrenalinevrijzetting ↑
Mestcellen 0 Histaminevrijzetting ↓
  • indicaties van adrenerge agonisten
    • (a) BP+ bij shock
      • hypovolemisch: eerst opvullen
      • cardiogeen: dopamine
      • anafylactisch: adrenaline IM
    • (b) induceren lokale vasoconstrictie
      • bij lokale anesthesie + adrenaline (?)
      • neusdecongestie (bv. Nesivine)
        • cave: rhinitis medicamentosa bij overmatig gebruik
    • (c) essentiële arteriële vaatspasmen:
      • bv. fenomeen van Raynaud
    • (d) essentiële hypertensie:
      • niet in eerste lijn
    • (e) activeren hartfunctie
      • frequentie: dopamine, dobutamine
      • bradycardie en AV geleiding: isoprenaline
      • hartstilstand: adrenaline
      • acute hypotensie: NA
    • (f) astma:
    • (g) tocolyse = weeënremming bij vroeggeboorte:
      • vroeger, nu betere alternatieven
        • atosiban (oxytocine antagonist)
        • calcium kanaal blokkers (CCBs)
    • (h) induceren mydriase:
    • (i) ADHD en narcolepsie
      • ADHD
        • amfetamine: indirect werkend, stimulans
          • inhibitie heropname NA en dopamine
        • guanfacine: alfa2, niet-stimulans
      • narcolepsie
        • modafinil
    • (j) sedatie volwassenen op ICU:
      • dexmedetomidine
Stof / receptoragonist Farmacologische effecten Ongewenste effecten
adrenaline • positief chronotroop, dromotroop en bathmotroop effect
• vasoconstrictie
• preload ↑ en afterload ↑
• tachycardie
• extrasystolen
• tachyaritmieën
• hypertensie
• angor
-agonisten • vasoconstrictie
• preload ↑ en afterload ↑
• mydriase
• hypertensie met reflexbradycardie
• angor
• oogdruk ↑ bij nauwehoekglaucoom
• excitatie
-agonisten • centrale orthosympathische outflow ↓
• noradrenalinevrijzetting ↓
• orthostatische hypotensie
• bradycardie
• sedatie
• droge mond
• seksuele stoornissen
clonidine-withdrawalsyndroom
-agonisten • positief chronotroop, dromotroop, bathmotroop en inotroop effect • tachycardie
• extrasystolen
• tachyaritmieën
• angor
-agonisten • residuele -effecten
• noradrenalinevrijzetting ↑
• vasodilatatie
• tachycardie
• extrasystolen
• aritmieën, vooral bij verhoogde gevoeligheid voor adrenerge stoffen
• tremor
dopamine • d1-, - en -effecten, afhankelijk van de dosis - en -effecten, afhankelijk van de dosis

2.2.6 Activatie: indirect werkende sympathomimetica

  • indeling
    • (1) stimulatoren van NA vrijzetting
      • amfetamine
        • verdrijft NA uit granules
          • lekt weg naar synaptische spleet
        • door BBB
        • tachyfylaxis (~= tolerantie)
          • plotse vermindering van effect
          • oorzaak: uitputting NA productie
          • niet bij directe sympathomimetica
    • (2) reuptake inhibitor
      • inhibitie NA via NET
      • inhibitie 5HT via SERT
        • SSRI's: zie deel 3
      • TCA
      • cocaine
    • (3) MAO inhibitor (IMAO)
    • (4) COMT inhibitor
    • (5) (intrinsieke activiteit op - en -receptoren)

2.2.7 Inhibitie

2.2.7.1 receptor blokkers
  • effecten
    • bloedvaten
      • vasodilatatie in arteriolen en venen
        • preload -
        • afterload -
        • freq +
        • BP -
        • renine +
          • water- en zoutretentie
          • cave orthostatische hypotensie, zeker bij eerste dosis
            • eerst in bed gaan liggen, dan innemen
    • GI
      • motiliteit +
        • diarree (zwak effect)
    • bronchi: weinig effect
    • uterus: weinig effect
    • blaas: -blokkers relaxeren de blaashalsspier en het prostaatkapsel
    • zaadblaasjes en vas deferens: inhibitie ejaculatie
    • iris: miose
  • contra indicatie: hartfalen (!)
  • indicaties
    • weinig gebruikt
    • (1) benigne prostaat hypertrofie (BPH)
      • overgrote deel van gebruik
    • (2) hypertensie
      • niet in eerste lijn
      • bij feochromocytoom (bijniertumor)
        • nooit -blokker zonder eerst -blokker te geven
        • pre-op: normaliseer BP
        • per-op: hypertensie voorkomen tijdens manipulatie
        • post-op: voor resterende tumorweefsel
      • hypertensieve crisis
        • o.a. bij overdosis -agonisten
        • "kaasreactie" tijdens MAO inhibitor therapie
        • clonidine withdrawal syndroom
    • (3) hypovolemische shock
      • pas NA volumecorrectie
    • (4) arteriële vaatspasmen (centraal of perifeer)
2.2.7.2 -receptorblokkers
  • competitieve antagonisten van -receptoren
  • indeling
    • -selectieve (= cardioselectieve) blokkers vs. niet-selectieve -blokkers
    • hydrofiel vs lipofiel
      • hydrofiel
        • atenolol
        • sotalol
      • lipofiel
        • acebutolol
        • timolol
    • -blokkers met partieel agonistische werking
      • = intrinsiek sympathomimetische activiteit (ISA)
      • vaak onduidelijk of het om of gaat
    • met bijkomende -blok
      • (labetalol)
      • (carvedilol)
zonder ISA met ISA
-selectief atenolol
metoprolol
acebutolol
celiprolol
niet-selectief propranolol
timolol
sotalol
  • effecten
Effecten van -blokkers Bijwerkingen Contra-indicaties
negatief chronotroop effect • bradycardie • reeds bestaande bradycardie
• sick sinus syndroom
negatief dromotroop effect • AV-geleidingsstoornissen
• AV-blok
• reeds bestaande av-geleidingsstoornissen
• voorzichtig bij gelijktijdige behandeling met verapamil of diltiazem
negatief inotroop effect • hartfalen • longoedeem bij acuut linkerhartfalen
bloeddruk ↓ • zelden hypotensie • hypotensie
tendens tot bronchoconstrictie • bronchospasmen
• astma-aanval bij patiënten met astma of aanleg voor astma
• geen niet-selectieve -blokkers bij astma of copd
• alleen cardioselectieve -blokkers
vasoconstrictie • koude handen en voeten
• verergering van claudicatio intermittens en de ziekte van raynaud
• circulatiestoornissen, zoals claudicatio en de ziekte van raynaud
• alleen -blokkers toedienen
tonus van de uterus ↑ verhoogde kans op premature contracties tijdens zwangerschap • aan het einde van de zwangerschap kunnen -blokkers overgaan naar het kind
• risico op ernstige neonatale bradycardie met ischemie en hypoglykemie
GI-motoriek ↑ • krampen
• diarree
glycogenolyse ↓
lipolyse ↓
• risico op verlengde hypoglycemische reacties bij diabetici die met insuline worden behandeld
• symptomen van hypoglykemie zijn minder duidelijk
• bij met insuline behandelde diabetici alleen selectieve -blokkers gebruiken wegens minder uitgesproken metabole effecten
centraal zenuwstelsel • moeheid
• lusteloosheid
• nachtmerries
• soms psychische depressie
• bestaande psychische depressie
  • indicaties
    • belangrijkste
      • (1) essentiële hypertensie
      • (2) angor pectoris
      • (3) acuut myocardinfarct (AMI)
      • (4) ritmestoornissen t.g.v. orthosympathische tonus
      • (5) stabiel hartfalen
        • heeft dus hartfalen zowel als bijwerking als behandeling
        • lage dosis
        • traag opbouwen
        • anders risico op acuut longoedeem
    • overige
      • anxiolyse
      • tremor
      • hyperthyreoïdie
        • tremor + tachycardie
        • daarnaast ook causale behandeling
      • openhoekglaucoom
      • preventie migraine
      • feochromocytoom
      • obstructieve hypertrofische cardiomyopathie
      • hemangioom
2.2.7.3 Neuronblokkers
  • remmen sympathische transmissie
    • - + -blokker
  • reserpine
    • inhibitie high affinity catecholamine carrier in vesikelwand
    • depletie van neurotransmitters
  • alfa-methyl-dopa
    • prodrug
      • intraneuronale omzetting
      • alfa-methyl-dopa > alfa-methyl-dopamine > alfa-methyl-NA
        • neemt plaats NA in vesikels in
          • dus minder -activatie
          • dus minder vasoconstrictie
        • geen afbraak door MAO, dus langdurige werking
    • -agonist (centraal + perifeer)
      • onderdrukt sympathicus
        • verlaagt bloeddruk
    • indicatie
      • anti-hypertensivum bij zwangerschap
      • (andere hypertensie)
    • bijwerkingen
      • orthostatische hypotensie
      • natrium- en waterretentie
      • ejaculatiestoornissen
      • neuscongestie
      • psychische depressie

Toepassing 3: obesitas en farmacotherapie

  • farmacovigilantie
    • benefit-risk afweging
  • meer en meer kinderen met obesitas
  • historische eetlustremmers
    • cardiovasculaire toxiciteit
    • pulmonaire hypertensie
  • orlistat
    • lipase inhibitor (in maag en pancreas)
    • indicaties
      • samen met dieet
      • BMI >= 30
      • BMI >= 28 en andere risicofactoren (DM2, hyperlipidemie)
    • bijwerking
      • steatorrhee
      • verlies vetoplosbare vitamines
    • dus vetinname beperken
    • combineren met dieet
    • in lage dosis zelfs beschikbaar over the counter (OTC)
  • sibutramine (Reductil)
    • 5HT en NA (en dopamine) reuptake inhibotor
    • beperkt effect, geen duurzaam gewichtsverlies
    • SmPC: max 1 jaar gebruiken
      • niet realistisch
    • cardiovasculair risico
      • BP+
      • freq+
    • van EU markt sinds 2010
  • rimonabant (Acomplia)
    • niet meer op markt sinds 2009
    • cannabinoid receptor (CB1) antagonist
    • indicaties
      • BMI >= 30
      • BMI >= 27 en andere risicofactoren (DM2, hyperlipidemie)
    • psychiatrische bijwerkingen
    • contra-indicatie: depressie of gebruik anti-depressiva
  • liraglutide (Saxenda)
    • GLP-1 analoog
      • cf. semaglutide (Ozempic / Wegovy)
    • toediening: SC
    • SmPC: aanvulling op dieet en beweging bij volwassenen met verhoogd BMI
      • BMI >= 30
      • BMI >= 27 en min 1 comorbiditeit (hypertensie, (pre)diabetes, dyslipidemie, slaapapneu, ...)
    • stop als patiënt na 12w niet minstens 5% gewicht kwijt is (bij dosis 3.0 mg)
    • recent: tekort aan GLP-1 analogen
      • voorrang geven aan DM2-patiënten
  • tirzepatide (Mounjaro)
    • dubbele agonist
      • GLP-1: glucagon-like peptide-1 analoog
      • GIP: glucose-dependent insulinotropic polypeptide
    • indicaties
      • DM2
      • gewichtsbeheersing
  • naltrexon en bupropion (Mysimba)
    • SmPC: aanvulling op dieet en beweging bij volwassenen met verhoogd BMI
      • BMI >= 30
      • of BMI >= 27 en min 1 comorbiditeit
stof merknaam werking indicaties risico nog op markt
orlistat lipaseremmer BMI ≥ 30; of BMI ≥ 28 met risicofactoren steatorrhee; verlies van vetoplosbare vitaminen ja
sibutramine Reductil 5-HT- en NA-reuptake-inhibitor obesitas bloeddruk ↑; hartfrequentie ↑; cardiovasculair risico nee
rimonabant Acomplia CB1-antagonist BMI ≥ 30; of BMI ≥ 27 met risicofactoren psychiatrische bijwerkingen nee
liraglutide Saxenda GLP-1-analoog BMI ≥ 30; of BMI ≥ 27 met minstens één comorbiditeit ja
tirzepatide Mounjaro GLP-1- en GIP-agonist DM2; gewichtsbeheersing ja
naltrexon + bupropion Mysimba BMI ≥ 30; of BMI ≥ 27 met minstens één comorbiditeit ja

Centrale stimulantia

  • heel kort besproken
  • verhogen centrale catecholaminerge activiteit
  • toepassingen amfetamines
    • doping
    • anorexigeen / eetlustremmer
      • afgeraden
      • risico op addictie
      • cardiovasculair risico
      • niet bewezen duurzaam
    • ADHD en narcolepsie
      • epidemiologie
        • veel gebruik bij kinderen
        • jongens > meisjes
        • Vlaanderen >> Wallonie > Brussel
        • West-Vlaanderen > Limburg > ...
      • onderverdeling
        • stimulantia
        • niet-stimulantia
stof ADHD narcolepsie stimulans opmerkingen
methylfenidaat (Rilatine, Concerta) ja ja ja
lisdexamfetamine ja nee ja
modafinil nee ja ja
atomoxetine ja nee nee NA reuptake inhibitor
guanfacine ja nee nee -agonist

2.3 MC Dopaminerge transmissie

  • dopamine
    • vooral als NT in CZS
    • beperkte distributie in orthosympathisch ZS
    • synthese: zie A en NA
    • afbraak: MAO en COMT
    • inactief per os (PO)
    • niet door BBB
      • L-DOPA wel
      • hypofyse wel bereikbaar door BBB (wegens gefenestreerde capillairen)
  • receptoren
lokalisatie
bloedvaten van nier en mesenterium dilatatie
maag maaglediging ↓
medulla oblongata braken
hypofysevoorkwab = adenohypofyse prolactine-, GH+
  • indicaties
    • binnen CZS
      • cardiogene shock (cf. supra)
      • prolactinoom
        • bromocriptine
        • cabergoline
      • stop melksecretie
        • cabergoline
      • Parkinson
      • restless leg syndrome
    • buiten CZS
      • antagonisten
        • metoclopramide
        • domperidone
        • alizapride
      • risico's
        • extrapiramidale symptomen (EPS)
          • acute dystonie
        • aritmie
  • farmacovigilantie
    • adverse drug reactions (ADRs)
    • bromocriptine niet veilig lactatie inhibitie
      • cardiovasculair
      • neurologisch
      • psychiatrisch
      • meerdere doden

2.4 MC Serotonerge transmissie

  • serotonine = 5-hydroxy-tryptamine (5-HT)
  • locaties
    • hersenen: epifyse - precursor van melatonine
    • GI: enterochromaffiene cellen
      • zenuwcellen myenterische plexus
    • orthosympathische zenuwuiteinden
    • nociceptieve zenuwuiteinden
    • thrombocyten
      • active carrier mechanism
  • synthese
    • tryptofaan (Trp) > 5-hydroxy-tryptofaan (5-H-Trp)
      • essentieel aminozuur
      • snelheidslimiterende stap
    • 5-hydroxy-tryptofaan > 5-hydroxy-tryptamine (5-HT)
  • afbraak
    • MAO en aldehyde dehydrogenase
    • eindproduct: 5-hydroxy-indolazijnzuur (5-HIAA)
  • synaps
    • pre-synaptisch
      • NET: reuptake
      • 5-HT-1 receptor (negatieve feedbackloop)
  • effecten
    • erg variabel
    • enorm aantal receptoren
    • zenuwstelsel
      • centraal: zie deel 3
      • perifeer
        • GI
        • braakcentrum
        • nociceptie
    • (long)
    • cardiovasculair
      • contractie (vooral 5-HT2 receptor)
      • dilatatie skelet- en hartspier
      • venoconstrictie
      • bloedplaatjes aggregatie (5-HT2)
    • GI
      • tonus+
      • peristalsis+
    • skeletspier
  • 5-HT receptor agonisten
    • sumatripan (en andere triptanen)
      • bij zware migraine aanval
    • ergotamine
      • partiele agonist
      • partiele 5-HT1 agonist
    • LSD: op dopamine en serotonine receptoren in CZS
    • cave combinatie van 5-HT agonisten
      • voorbeelden
        • psychofarmaca (TCA, SSRI, MAO-I, lithium, ...)
        • drugs: LSD, XTC, cocaine, amfetamines
        • opioden
        • tramadol
        • ...
      • risico: serotonine syndroom
        • agitatie of bewegingsonrust
        • verwardheid
        • hoge hartslag en hoge bloeddruk
        • gedilateerde pupillen
        • verlies van spiercoördinatie of twitching muscles
        • spierrigiditeit
        • hevig transpireren
        • diarree
        • hoofdpijn
        • beven
        • goose bumps
        • levensbedreigend
          • hoge koorts
          • beroerte
          • hartritmestoornissen
          • bewustzijnsverlies
  • 5-HT receptor antagonisten
    • risperidon: 5-HT2 (zie deel 3)
    • ondansetron: 5-HT3, sterk anti-emetisch